
Ontsnappen uit een donker doolhof
[Blog van Marjolijn] De diagnose viel rauw op mijn dak. Nu, jaren later, heb ik mijn chronische ziekte meer geaccepteerd. Hoe dat is gegaan, is moeilijk in woorden te vatten. Toch doe ik hier een poging. Het is geen chronologisch verhaal of praktische uitleg, maar een uitgebreide metafoor over het stoppen met vechten.
Ik ben gedropt. Achtergelaten.
Alleen.
Alles is stil en pikkedonker om me heen. Geen hand voor ogen.
Verstijfd zit ik op een stoel. Beklemd, verlamd. De echo laat me weten dat ik in een enorme, afgesloten ruimte zit. Verder zie of hoor ik niks of niemand. De duisternis kleeft aan iedere millimeter van mijn lichaam. De stilte maakt me horendol.
Ik raak in paniek: ‘Ik wil hier weg, ik moet eruit!’ Ik spring op en begin weg te rennen van de stoel. Binnen de kortste keren knal ik ergens tegenop. Iets raakt me in mijn middel, er botst ook iets tegen mijn hoofd. Sterretjes. Verdwaasd en op de tast strompel ik terug naar mijn stoel en ga weer zitten.
Rustig aan nu, moedig ik mezelf aan. Heel voorzichtig sta ik op en loop op de tast rond de stoel. Handen voor me uit, voetje voor voetje. Rustig om obstakels heen, steeds iets verder.
Als ik de weg terug naar de stoel dreig te vergeten, loop ik terug en ga weer zitten. Alsmaar heen en terug. Iedere keer probeer ik verder te komen. Maar ik weet niet wat ik zoek. Ik zet stappen in dit inktzwarte doolhof, maar kom niet vooruit.
Na de zoveelste poging geef ik op. Versuft ga ik zitten. En ik huil. Ik weet niet waar ik ben, ik weet niet waar ik heen moet, ik weet niet wat ik moet doen. Ik weet wel: dit wil ik niet.
Mijn tranen raken op. Ik zit op de stoel en doe niks. Even bijkomen. Langzaamaan keert mijn rust terug.
Maar dan… Zie ik dat nou goed? Heel, heel langzaam trekt de duisternis weg. Ik begin iets te zien! Meteen schiet ik overeind en begin te rennen. Ik kom niet ver. Zodra ik begin met bewegen, kolkt de duisternis weer om me heen. In volle vaart knal ik ergens tegenop.
Vol pijn strompel ik weer terug naar de stoel. ‘Ik denk dat ik het begrijp’, zeg ik tegen mezelf zodra ik weer zit. Ik blijf zitten en wacht af. Doe niks en kijk. Heel langzaam komt de ruimte weer tevoorschijn uit de duisternis. Ik blijf rustig zitten en kijk om me heen.
Na een poos is er een groot stuk van de ruimte zichtbaar geworden. Ik zie steeds meer diepte, vormen en kleuren. Ik blijf zitten en kijk naar het uitzicht dat zich steeds meer aan mij ontvouwt.
Plotseling: daar! De omlijsting van een deur: de uitgang! Ik spring op en begin naar de deur te rennen. Maar verdorie, leer ik het dan nooit: de duisternis daalt weer neer en pakt het zicht van me af. Ik struikel over mijn voeten en val languit op de grond.
Ik kom overeind en ga weer terug, zitten op de stoel.
Laat mij maar, het is goed zo. Dan zie ik maar niks. De uitgang? Je mag ‘m houden.
Ik doe mijn ogen dicht, sluit me af en focus op mezelf. Wat heb ik nodig? Waar wil ik zijn? Wat wil ik zien, horen, voelen? Voorzichtig tast ik mijn behoeften af en zet ze in gedachten voor me neer. Heel langzaam krijgt voor mijn geestesoog mijn nieuwe wereld vorm.
Na een tijd doe ik voorzichtig mijn ogen open. En tot mijn verbazing: ik zit niet meer in het donkere doolhof. Ik zit op een nieuwe plek, eentje die ik nog nooit eerder heb gezien.
Voorzichtig sta ik op, kijk om me heen en verwonder me over waar ik ben. Ik doe een paar stappen. Ik kijk, tast en luister. Warempel: een paar dingen die ik had bedacht, de dingen die ik nodig heb, zijn er al. Fijn. Maar het plaatje is nog niet compleet.
Ik ben op een nieuwe plek. Een plek die ik zelf ga vormgeven.
Herken je dit? Stuur je reactie naar: reageer.naar.marjolijn@proton.me
Over de schrijfster
Marjolijn (46) leeft met fibromyalgie: een chronische ziekte die zorgt voor pijn, stijfheid en vermoeidheid. Er is helaas nog geen behandeling voor. In haar column schrijft ze open en eerlijk over haar dagelijks leven: over het vinden van balans, hoe ze haar ziekte bespreekbaar maakt, haar ervaringen met hulpverleners en de voortdurende zoektocht naar energie en begrip.










