
Verzekeren met zekerheid van ziekte
Dit is de tweede column in een serie van Annemiek Lely. Annemiek is freelance schrijver, podcastmaker, trouwambtenaar en ervaringsdeskundig professional. In deze serie deelt ze haar ervaring met en visie op werken met een chronische kwetsbaarheid.
In mijn vorige column schreef ik dat werken als freelancer voor mij een combinatie van zelfgekozen vrijheid én pure noodzaak is. Voor het grootste obstakel van het freelance werken vond ik pas vorig jaar een oplossing. Wat als ik uit zou vallen? Met mijn kwetsbaarheid is het niet de vraag óf ik ooit in mijn werkende leven uit ga vallen, maar wanneer.
Toch vermeed ik jarenlang dit onderwerp en werkte ik vooral hard en veel. Ik bouwde een potje spaargeld op voor onvoorziene omstandigheden, maar maakte daar deels gebruik van om met mijn vriend mooie reizen te maken. Werk je om te leven of leef je om te werken? In 2020 kwam het gevreesde moment: ik kwam thuis te zitten. Niet door ziekte, maar vanwege een pandemie. Ondanks een kleine compensatie van de overheid slonk het spaarpotje. De huur en andere vaste lasten moesten betaald worden. Begin 2022 mocht ik weer op pad en nam ik mezelf voor om het potje ‘onvoorzien’ weer flink aan te vullen. Dat deed ik, niet wetende dat ik er een jaar later weer aanspraak op moest maken.
In die tijd werkte ik binnen een, zoals ze dat zo mooi noemen, ‘verkapt dienstverband’. Het merendeel van mijn werktijd besteedde ik aan projecten bij één opdrachtgever. Door een combinatie van factoren kreeg ik binnen die organisatie klachten van overspannenheid. Mijn kwetsbaarheid zorgde ervoor dat alle alarmbellen afgingen. Overspannendheid zou bij mij makkelijk over kunnen gaan in depressiviteit en dat wilde ik voorkomen. Omdat de opdrachtgever de klachten niet erkende, moest ik stoppen bij het bedrijf en raakte ik in een klap mijn voornaamste bron van inkomen kwijt. De psychische én fysieke klachten zorgden voor beperkte ruimte om nieuw werk aan te nemen. Eigen schuld, dikke bult? De overspannenheid niet, maar het gebrek aan een stevig financieel vangnet wel.
Al tijdens de lockdowns zocht ik uitgebreid naar een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Bovendien klonken er geluiden dat de overheid het afsluiten ervan verplicht zou gaan stellen. Ik ‘Googlede’ me suf en vond beperkte zekerheid. Al gauw werd namelijk duidelijk dat ik twee opties had: een particuliere AOV afsluiten of mij aansluiten bij een broodfonds.
In het eerste geval liepen de kosten op tot zo’n 300 euro per maand. Het bedrag varieerde afhankelijk van de periode waar ik mezelf voor wilde verzekeren (twee of vijf jaar of tot de pensioengerechtigde leeftijd), na hoeveel dagen van uitval de verzekering in werking zou treden, voor welk percentage ik arbeidsongeschikt zou raken en welk bedrag ik maandelijks zou willen ontvangen. Gevoelsmatig wilde ik mij voor alles indekken: een vangnet voor als ik volledig arbeidsongeschikt zou raken tot aan mijn pensioen. Een eigen variant op de WIA-uitkering (Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen). Maar ik schrok van de kosten, dus verdiepte ik mij in broodfondsen.
Van bevriende zzp’ers kende ik de term ‘broodfonds’, maar wist nog weinig over de invulling hiervan. Ten opzichte van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zag ik een aantal voor- en nadelen. Een broodfonds klinkt toegankelijk en transparant. Ieder lid betaalt maandelijks een bedrag dat op een eigen rekening gestort wordt. Wanneer een ander lid binnen het fonds uitvalt van werk, krijgt hij/zij/die iedere maand een van tevoren afgesproken bedrag uitgekeerd. De inleg van alle leden maakt dat dit betaald kan worden. Er is geen medische keuring nodig. Alles gaat op basis van vertrouwen. Omdat het schenkingen zijn zijn de uitgekeerde bedragen niet aftrekbaar voor de belastingdienst, maar er hoeft ook geen belasting over betaald te worden. De keerzijde is dat een broodfonds maar tot twee jaar arbeidsongeschiktheid uitkeert. Daarna ben je alsnog veroordeeld tot de bijstand. En wat als er geen reserves zijn omdat meerdere leden ziek zijn?
Na veel wikken en wegen vond ik afgelopen jaar mijn voorlopige oplossing. Van een collega kreeg ik de tip om eens te kijken naar de AOV van het FNV. Dit wordt aangekondigd als hét alternatief voor de AOV. Kort door de bocht is dit een betaalbaar broodfonds met zo’n 1.500 deelnemers. De kans dat er geen reserves zijn is dus een stuk kleiner dan bij een broodfonds van 20 á 30 leden. Voor een betaalbaar (en van de belasting aftrekbaar) bedrag per maand ben ik, wanneer ik uitval, verzekerd voor de eerste twee jaar. Daarmee heb ik niet mijn gewenste dekking voor de rest van mijn leven, maar zou ik in een vergelijkbare situatie als in 2023 wel geholpen zijn. Bovendien hoef ik niet altijd hetzelfde bedrag te betalen. Wanneer het tegen, of juist mee, zit kan ik mijn inleg per maand aanpassen. De AOV van het FNV heeft dus de collectieve zekerheid van een private AOV en de toegankelijkheid en transparantie van een broodfonds. Dit geeft een gevoel van rust, maar toch dient de gedachte zich geregeld aan dat ik als chronisch kwetsbare werkende meer zekerheid zou hebben als ik in loondienst ga.
Zoals velen inmiddels doen, besloot ik advies te vragen aan AI. Volgens deze techniek doe ik er verstandig aan om een AOV af te sluiten én mij bij een broodfonds aan te melden. Zo ben ik zowel op de korte als lange termijn verzekerd van een inkomen. Concreet betekent dit dat mijn uurtarief opgehoogd moet worden. Het verzekeren met zekerheid van ziekte moet, naast mijn andere vaste lasten, betaald worden.
Aan jou de prangende vraag: hoe heb jij dit geregeld?
Meer lezen of verder praten over dit onderwerp?
- Je kunt Annemiek altijd een berichtje sturen via haar LinkedIn-profiel.
- Verder praten over chronisch ziek zijn en werken of advies nodig? Neem contact met ons.
- Schrijf je in voor onze nieuwsflits. Je krijgt een mailtje als we nieuwtjes hebben, zoals een nieuwe column of blog.










